Visioen

 

Jannes zag een reusachtige gedaante in een haveloze mantel. Uit de lange, rafelige mouwen staken klauwachtige handen. De wijde kap, die ver over het voorhoofd was getrokken, verborg een uitgemergeld gelaat, met de vale, asgrauwe kleur van de dood. In de holle kassen priemden twee pekzwarte ogen, die hem vijandig aankeken. Nog intenser werd de blik, nog vuriger de ogen: ze fonkelden kwaadaardig, boorden zich in de zijne en hielden hem gevangen. 'Duivelsklauw,' fluisterde een stem. 'Duivelsklauw, waar ben je?'  Jannes schokte, zijn hele lijf trilde, het koude zweet brak hem uit. Sliep hij? Had hij een nachtmerrie gehad? Was het een visioen geweest? Hij wist het niet.